De Maas is altijd al een belangrijke verkeersader geweest. En vanaf de middeleeuwen ook een natuurlijke grens tussen het prinsbisdom Luik en het graafschap Namen, of nog, tussen de gebieden onder invloed van Frankrijk en dieonder het Heilige Roomse Rijk, of de Verenigde Provinciën. En in mei 1940 belemmerde de rivier de doortocht van het Duitse leger. Logisch dus dat er in de loop der eeuwen vestingen langs de Maas werden gebouwd. Vandaag zijn de meeste verdwenen, omgevormd tot lustslot (zoals Freÿr) of helemaal vervallen (Crèvecoeur, Poilvache). Enkel de vestingen van Namen, Dinant, Hoei en Luik hielden stand door hun strategische ligging. Ze werden verder uitgebouwd en verbouwd, slanke torens maakten plaats voor massieve bastions, de grachten werden verstevigd met wallen en verdedigingswerken. Wanneer de Nederlanders in 1815, na de nederlaag van Frankrijk in Waterloo, het toekomstige België innemen, krijgen de vier citadellen min of meer hun huidige aanzien. Pas in de 20ste eeuw verliezen ze hun militaire functie. Vanaf dan is deze stenen wachters een uiteenlopend lot beschoren. De ene wordt een toeristische hotspot, de andere wacht een traag verval.
...